Het nationale verdienvermogen en de cruciale rol van regio’s

De Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN) heeft een commissie in het leven geroepen om een advies te geven over Verdienvermogen & Vestigingsklimaat. De commissie staat onder leiding van Peter Noordanus (burgemeester Tilburg) en bestaat verder uit Friso de Zeeuw (hoogleraar gebiedsontwikkeling TU Delft), Henry Meijdam (directeur Interprovinciaal Overleg), Co Verdaas (adviseur OverMorgen, tevens bestuurlijk verkenner implementatie Omgevingswet) en Ruud Bergh (oud-directeur Schiphol Area Development Company).

Technologische ontwikkelingen veranderen fundamenteel de koers van bedrijven, de kracht van de economie en de arbeidsmarkt. Door informatisering (ook van productie en logistiek) ontstaan niet alleen minder banen, maar veranderen de banen ook van type en niveau (hogere kwaliteitsniveaus, meer flexibiliteit). Mede in het perspectief van de dagelijkse internationale concurrentiestrijd van (grote, middelgrote en kleine) bedrijven is de toekomstige groei van de Nederlandse economie géén natuurlijk gegeven; daar moet hard voor worden gewerkt. De Commissie is van mening dat het urgentiebesef over met welke activiteiten Nederland in de toekomst haar geld moet verdienen, momenteel ontbreekt. 
 

De concurrentieslag om orders, omzetgroei en werkgelegenheid vindt steeds minder plaats tussen landen, maar steeds meer tussen dynamische clusters, met vaak in het middelpunt stedelijke regio's. Clusters zijn immers geconcentreerd in stedelijke regio’s, waardoor de concurrentie zich ook vooral afspeelt op dat geografische schaalniveau: steden en regio’s als magneten en concentraties van talent, innovatie en ‘quality of life’. Conclusie: daar waar tot nu toe veel gesproken wordt over de concurrentiekracht van Nederland en andere landen, vindt de komende jaren de concurrentieslag vooral plaats tussen regionale clusters-wereldwijd. 

Er is nauwelijks besef dat de ontwikkeling van het nationale verdienvermogen afhankelijk is van (de clusters in) de regio's, zeker niet op Rijksniveau. In het nationale topsectorenbeleid ontbreekt de regionale/ruimtelijke dimensie nagenoeg volledig en ook in het bredere Rijksbeleid ontbreekt een nationale ruimtelijk-economische visie op regionale concurrentiekracht. Daarbij is ook het ruimtelijk ordeningsbeleid meer gericht op regulering en aanbodsturing, dan op economische kansen stimuleren en ruimtelijke faciliteren. Een can do-mentaliteit ontbreekt te veel. 

Zoals aangegeven hebben technologische vernieuwingen onvoorziene en onduidelijke economische en ruimtelijke gevolgen. Dat laat onverlet dat een aantal basis- en ruimtelijke voorwaarden in stedelijke regio’s van groot belang blijft: 
 goede multimodale bereikbaarheid, zowel voor goederen (weg, water, spoor) als voor personen (OV, langzaam verkeer, auto); 
 een lerende en flexibele beroepsbevolking; 
 dynamische en anticiperende (regionale) ecosystemen. 
Het zijn juist deze voorwaarden die cruciaal zijn, omdat ze een steeds belangrijkere rol spelen bij de aantrekkingskracht en -uiteindelijk- concurrentiekracht van de clusters. De aanwezigheid van talent, de snelheid van verbindingen, oog voor duurzaamheid en de aanwezigheid van dynamische netwerken (tussen bedrijven onderling, met kennisinstellingen, met onderzoekers, et cetera) zijn belangrijke succesfactoren die op regionaal niveau het verschil kunnen maken. 
 

Op basis van de voorgaande analyses stelt de Commissie twee actierichtingen voor: 
A Regionaal-Economische Versnellingsagenda's 
B Versterking 'breed' fysiek vestigingsklimaat met het oog op (regionale/clusters) kansenplanning

Type: Onderzoeksrapport

19th February 2020