Van bedrijventerrein naar campus?
Een onderzoek naar ontwikkelcondities voor leerwerkmilieus op bedrijfslocatiesWereldwijd is er sprake van een veranderende geografie van werklocaties. Waar werklocaties in de vorige eeuw gekenmerkt werden door functiescheiding en mono functionaliteit, ontstaat nu steeds meer behoefte aan gemengde stedelijke interactiemilieus (De Hoog, 2012; PBL 2016) waar wonen, werken, leren en recreëren samenkomen. De afgelopen twee decennia hebben een explosieve groei laten zien van ‘creatieve hotspots’ (AWTI, 2014) coworking spaces (Waters-Lynch et al., 2016; Gandini, 2015), innovatiedistricten (Katz et al, 2015) campussen en valleys (Buck, 2014; FD 2016; Van Dinteren 2017). Naast de reeds langer bestaande scienceparken en bedrijfscampussen die georganiseerd zijn rond onderzoek en ontwikkeling (R&D), en die opereren in een internationaal competitieve omgeving, is de afgelopen jaren een breed palet van leer- en werk (en soms ook woon-) milieus tot stand gekomen, waar beroepsonderwijs en bedrijven elkaar treffen. Deze leerwerkmilieus hebben een meer regionale focus en hangen samen met de toegenomen aandacht voor de rol van het beroepsonderwijs om de aansluiting tussen onderwijs en de snel veranderende eisen van de arbeidsmarkt te bevorderen. Tegen de achtergrond van het maatschappelijke debat over stimuleren dan wel afremmen van de ontwikkeling van regionale campussen (Tolsma, 2015; Zeemeijer, 2016; Trouw, 2017) zijn in dit onderzoek het ontstaan en de ontwikkelcondities van leerwerkmilieus voor beroepsonderwijs op bedrijfslocaties onderzocht.
Campussen in Nederland komen voor in veel hoedanigheden (Buck, 2014; Van Dinteren, 2017). Om het onderzoeksobject af te bakenen is daarom in dit rapport voor de term leerwerkmilieus gekozen waar het gaat om de functiemenging op bedrijfslocaties tussen beroepsonderwijs en bedrijven. Er is sprake van een leerwerkmilieu indien op een bedrijfslocatie fysieke en organisatorische maatregelen getroffen zijn om interactie tussen onderwijsprogramma’s en bedrijfsprocessen tot stand te brengen. Voortbouwend op onderzoek naar kennislocaties (Van Winden & Carvalho, 2015; Katz & Wagner, 2014) en interactiemilieus (De Hoog, 2012; Van Liere, 2016) is geconstateerd dat de ontwikkeling van effectieve leerwerkmilieus synergiemanagement vereisen. Hieronder wordt verstaan dat er samenhang dient te bestaan tussen fysieke en organisatorische maatregelen om samenwerking en kennisuitwisseling te bevorderen.
Vanuit het perspectief van gebiedsontwikkeling is het speelveld onderzocht waarbinnen de ontwikkeling van leerwerkmilieus tot stand komt. Hierbij zijn de actoren die doorgaans aangeduid worden met triple helix: bedrijven, overheid en kennisinstellingen de meest betrokken partijen (Etzkowitz, 2003). Opvallend is dat private ontwikkelaars in dit type gebiedsontwikkeling nagenoeg afwezig zijn. Potentieel zijn er marktkansen in de (her)ontwikkeling van ruimtes en de uitbreiding van de waardeketen met diensten. Daarnaast zijn de overheidsmiddelen voor (her)ontwikkeling en modernisering van bedrijfslocaties drastisch terug gelopen en weinig effectief gebleken (Van der Krabben et al, 2015). De hoofdvraag van het onderzoek richt zich daarom op de condities waaronder private ontwikkelaars bereid zijn te investeren in bedrijfslocaties met een leerwerkmilieu.
Op basis van een literatuurstudie naar waardeontwikkeling in gebiedsontwikkeling en private investeringen in de herontwikkeling van binnenstedelijke locaties is geconstateerd dat leerwerkmilieus tot stand komen in een hybride publiek private markt waarbij de creatie van maatschappelijke waarde een grote rol speelt (Daamen et al, 2012; Peek, 2015). In essentie dragen effectieve leerwerkmilieus immers bij aan de maatschappelijke behoefte aan goed opgeleid personeel en nieuwe werkgelegenheid en ondernemerschap. De inzichten uit de literatuur zijn verwerkt in het ontwerp van een conceptueel model waarbij de ontwikkelaar geplaatst is als actor in de triple helix. Partnerships binnen de triple helix kunnen bijdragen aan het afdekken van ontwikkelrisico’s. Randvoorwaarde daarbij is dat de ontwikkelaar in staat en bereid is te opereren vanuit een perspectief van meerwaardecreatie (Van Luin et al 2012; Peek, 2011, 2015). Dit veronderstelt een businessmodel dat gericht is op het realiseren van lange termijn beleggingswaarde naast korte termijn exploitatiewaarde.
18th March 2020